De documenten zoals genoemd bij het referentiekader zijn leidend. Afwijkingen hierop worden in de volgende paragrafen aangegeven.
Referentiekader
CROW publicatie 257 Turborotondes;
CROW publicatie 164c Handboek wegontwerp – Gebiedsontsluitingswegen; CROW publicatie 207 Richtlijnen voor bebakening en markering van wegen; CROW publicatie 260 LZV’s op het onderliggend wegennet;
Landschappelijke vormgeving Rotondes (DBI, 2012).
Aandachtspunten
Speciale voorzieningen voor het langzaam verkeer worden aangebracht zodat de veiligheid daarvan ten opzichte van de uitgangssituatie niet verslechtert.
Eigendoms-, beheer- en onderhoudsgrenzen bij rotondes worden weergegeven in Bijlage E.
De turborotonde moet worden voorzien van een objectcamera om de afwikkeling van het verkeer op afstand te kunnen monitoren.
Programma van eisen
Voor het ontwerp van een turborotonde is een standaardtekening beschikbaar, zie tekening H008-1 in bijlage A, Standaardtekening turborotonde, overzichtstekening.
Aansluitende takken:
Bij nadering van de rotonde dienen de boogstralen in de aanvoertakken conform de ontwerpsnelheid van de weg te zijn (80 km/h vraagt om een straal van minimaal 400 m).
Er moet een goed zicht zijn op de conflictpartij. De takken moeten daarom haaks op de rotonde aansluiten.
Op de toerit is de rijbaan 4,00 m en op de afrit 4,50 m breed. De aansluitboog van de toerit heeft een straal van 12 m en van de afrit 15 m.
Rotondediameter:
De rotondediameter dient in samenhang met de rijstrookbreedtes zodanig gekozen te worden, dat de conflictsnelheid van personenauto’s ter plaatse van zijtakken, fietsoversteek en voetgangersoversteek kleiner is dan 40 km/h. Er moet een toets op de doorrijsnelheid per rijstrook worden uitgevoerd conform paragraaf 4.2, figuur 19 en bijlage IV van de CROW publicatie
Turborotondes (257). Het resultaat moet worden overlegd.
Als uit de toets op de doorrijsnelheid blijkt dat de conflictsnelheid ter hoogte van een fietsoversteek hoger is dan 40 km/h moet een ongelijkvloerse fietsoversteek worden overwogen.
Rijbanen:
De rijbanen moeten een zodanige breedte hebben, dat de rotondestroken berijdbaar zijn door 16,50 m voertuigen zonder gebruik te maken van het verhoogde rijbaangedeelte in het centrum van de rotonde of de overrijdbaar verhoogde rijstrookscheidingen te overschrijden. Overrijdbaar verhoogde stroken in de rotonde-oksels en de overrijdbare druppels in de mond van de binnenste rotondestroken kunnen wel door 16,50 m voertuigen worden gebruikt.
Rijstrookindeling:
Indien de hoofdstroom op de rotonde rechtdoor gaat, dan wordt op de toeleidende tak aan de linkerzijde van de bestaande rijstrook een tweede rijstrook toegevoegd (uitvoegen van rechts naar links). Op de afleidende tak wordt de rijstrook aan de rechter rijstrook beëindig d (invoegen van rechts naar links). Zie hiervoor figuur 8.1.
na rotonde:
invoeger van
rechts naar links
voor rotonde:
extra rijstrook
aan linkerzijde
Figuur 8.1               In- en uitvoegen bij turborotonde
Bij een zware rechtsafstroom kan het wenselijk zijn om de toeleidende tak in de linkerrijstrook uit te laten komen. Dit dient per situatie te worden bekeken.
De afleidende tak na de rotonde wordt altijd vormgegeven conform bovenstaande figuur (invoegen van rechts naar links).
Overrijdbaar verhoogde rijstrookscheiding:
Vormgeven conform paragraaf 5.2.5 van de CROW publicatie 257.
Glasbolreflectoren dienen aan de verkeerszijde van de doorgetrokken streep geplaatst te worden.
Zoveel mogelijk gebruik maken van prefab met grote elementen zodat er minder kans op onkruid is. Indien dit niet mogelijk is, voegen dichtmaken.
Middeneiland:
Vormgeven conform paragraaf 5.2.1 van de CROW publicatie 257.
In het verlengde van de aanrijdrichting van de aansluitende takken moeten obstakels botsvriendelijk zijn (i.e. obstakels met een samengestelde massa van minder dan 100 kg), daarbuiten (vaak een klein oppervlak in het centrum van de rotonde) is een hard obstakel (bijvoorbeeld in de vorm van bomen en masten) wel toegestaan.
Rekening moet worden gehouden met obstakelvrije zones voor exceptionele transporten, zowel op het middeneiland als in de rotonde-oksels;
Voertuigen moeten 3,5 seconden zichtbaar zijn, waarvoor een zichtafstand van 35 m nodig is.
Voor fietsers, die voorrang moeten verlenen, moeten auto’s ook over 40 á 60 m lengte zichtbaar zijn. Dit betekent dat in de oksels van de aansluitende takken en de berm langs de aanrijtak een maximale hoogtegroei van 0,20 m (i.v.m. kinderen) toegestaan is.
Het middeneiland is zoveel mogelijk obstakelvrij (zie bovenstaande eisen). Verdere obstakels (zoals bebording en bebakening) moeten botsvriendelijk zijn.
Rotondeborden dienen zo te worden aangebracht dat zij het doorzicht op ooghoogte (horizon) van de naderende bestuurders wegnemen.
De maximale hoogte van het middeneiland en/of zichtbelemmerende objecten op het middeneiland bedraagt 0,60 m ten opzichte van de rijbaan (= 0,50 m speling t.o.v. de ooghoogte van 1,10 m in een personenauto in verband met silhouetherkenning); dit om het overzicht langs de randen te stimuleren.
Het ontwerp van de groeninrichting moet voldoen aan de uitwerking in het rapport ‘Landschappelijke vormgeving rotondes’ (DBI,2012).